25-05-17

Het Franstalige racisme in Brussel: vanaf de oorsprong tot in de 20ste eeuw

Franstalig racisme in Brussel

  Diagnose Brussel

 

Wilmars Dirk

Standaard Uitg.

 

Uittreksels

 Inleiding


 

Burgemeester Lode Craeybeckx (Antwerpen) (p.9-10)

 

Het meest efficiënte middel, in dat systeem van ontvlaamsing, heeft erin bestaan de kinderen van de autochtone Vlaamse bevolking, zowel als deze van de Vlaamse inwijkelingen, te dwingen in de Franse taal onderwijs te ontvangen. (…) De schrijver maakt duidelijk hoe het komt dat men in de rangen van de vlaamshaters een ongemeen hoog aantal verfranste Vlamingen aantreft. 

  

1 DE MINACHTING

(p.15) Brussel is ongetwijfeld de enige hoofdstad ter wereld waar de taal van de meerderheid van 's lands bevolking misprezen wordt. De minderheid misprijst de meerderheid, hoewel de , zeden en gewoonten van beide bevolkingsgroepen niet merkelijk verschillen. Dit merkwaardig psychologisch verschijnsel zullen wij in deze studie onderzoekèn. (…)Wie die vijandige stemming betwijfelt, moet maar cens in -een 'chique' café een biertje in het Nederlands gaan bestellen. Hij /al ervaren dat de ober op zijn manier een idealist is, die de Vlamingen zodanig misprijst dat hij er zijn fooi voor over heeft. Eventueel zal hij er een brutaal 'comprends pas' uitflappen, en aïs hij de bestelling toch aanvaardt, kijkt hij op zijn klant neer aïs een grootvorst die een Papoea bedient. Bestel iets in het Nederlands in een gewone winkel van de Brusselse voorsteden en je zult constateren hoe een gedienstige winkelier plotseling in een moedwillige verandert aïs hij Nederlandstalige klanten hoort. Niet omdat hij de klant ver-acht is de winkelier zo arrogant. (p.16) Vraag in het Nederlands een ticketje op de tram en vergewis U ervan hoe sommige reizigers U bekijken. Zo ongeveer werden de Congolezen in de periode van 1960 aangestaard.

1. Een burgemeester van de Brusselse agglomeratie gaat er prat op dat er in zijn gemeente weinig Vlamingen wonen en noemt daarom zijn gemeente Toasis francophone". De cultuur verdort in de nabijheid van die plompe Vlamingen ; zij bloeit open in de verfijnde Franstalige oase van Elsene.

2.  We herinneren ons het oorverdovend gejouw toen de rector in de aula van de Brusselse Universiteit Nederlands sprak.

3.  Wij herinneren ons het aanzwellende protest tijdens de Koningin Elisabeth-wedstrijden toen de mededelingen in het Nederlands werden vertaald. Tijdens de laatste wedstrijd in 1971 werden de mededelingen zinsnede na zinsnede vertaald om te voorkomen dat de mededelingen in het Nederlands zouden worden uitgejouwd.

4.  Wij herinneren ons dat tijdens Vlaamse betogingen er Brusselse contra-manifestanten waren met spandoeken : 'Boerebeesten, keer terug naar uw dorp'.

5.  Tengevolge van de financiële moeilijkheden van de Bouw-maatschappij  ETRIMO  vergaderden 1200 kopers om hun rechten te verdedigen. Toen de voorzitter de vergadering in het Nederlands toesprak ontstond gemompel en geroep onder de 1200 kopers. Een aanhanger van het F.D.F. riep : 'on n'a pas voté F.D.F. pour rien' (Standaard 23 okt. 1970).

6.  Als  Vlaming  geboren  worden  beschouwt  de  doorsnee Brusselaar aïs een slechte start in het leven, waarvan de nadelige gevolgen ongedaan gemaakt kunnen worden.Een Antwerpenaar die in Brussel ging wonen liet zijn zoontje in een gemeentelijke school van de Brusselse agglomeratie inschrijven. De vader betwijfelde het of de jongen voldoende Frans kende om met vrucht de lessen te volgen. De directeur (p.17) antwoordde : 'ne vous préoccupez pas de ça, monsieur, dans un an on n'entendra plus qu'il est Flamand'. Vlaming zijn is wel een erge, maar geen ongeneeslijke ziekte. De directeur meende dat het zijn plient was, alle sporen, die de Vlaamse afkomst van die jongen verraadden, radicaal uit te wissen.

7.  Boosaardigheden en onbeschoftheden zijn getolereerd en zelfs gewaardeerd als ze tegen Vlamingen gericht zijn.Op 30 sept. 1956 werden er aan jonge afgestudeerde verpleegsters in het gemeentelijke ziekenhuis van Elsene (l'oasis Francophone) diploma's uitgereikt. Het meisje dat de prijs voor Nederlands behaalde werd uitgejouwd. (H. Aelvoet, 150 jaar verfransing, blz. 54. Uitg. Simon Stevin).

8.  Voor de gerneenteraadsverkiezingen van 11 oktober 1970 verweten de voornaamste Brusselse partijen elkaar dat zij Vlamingen op hun lijsten hadden geplaatst, wat een protest van  'La  libre  Belgique'  uitlokte,  getiteld  'A  chacun  ses Flamands'.

9.  Tijdens de uitzending 'Francophonissime' geprogrammeerd door de zender van Monte-Carlo, en wederuitgezonden door de R.T.B., werd de vraag gesteld : 'Nommez un Belge qui ne parle pas français'. De genaamde Valton die ondervraagd werd, antwoordde 'un âne' (La libre Belgique van 31 aug. '70).

10.  Enkele jaren geleden stelde een parlementslid de vraag hoeveel Franse, Engelse, Duitse en Nederlandse liedjes er door de R.T.B. werden uitgezonden. Er werden honderden Franse en Engelse en 8 Duitse liedjes uitgezonden, maar geen enkel Nederlands.(…)

11.  Er zijn nog altijd veel Walen en Brusselaars die het Neder­lands voor een 'dialecte ridicule' houden (Figaro Littéraire 2.2.68 blz. 31). (p.19) Enkele jaren geleden zou er geen enkele Brusselse francofoon geloochend hebben dat hij de Vlamingen minacht. Nog niet zo lang geleden kwamen de Franssprekende Brusselse leiders er voor uit dat in hun ogen een Vlaming een minderwaardig wezen was. Denken we maar even aan l'oasis francophone' enz.

12. Er is een kentering gekomen in de toestand. De verachting van de Brusselaars is niet verminderd, maar ze zijn voorzichtiger geworden en schrijven er niet meer over in de kranten. Scripta manent. Tegenover buitenstaanders durven ze  thans zelfs beweren dat ze niet vijandig staan tegenover de Vlamingen.

13.  Voor de verkiezingen van 1964 werden er door het F.D.F."7 affiches aangeplakt waarop in grote gotische letters met Umlaut gedrukt stond 'Brüssel Vlaams, ça jamais'. De bedoeling was voor iedereen duidelijk. Men liet verstaan' dat de Vlamingen tijdens de laatste wereldoorlog druk gecol-laboreerd hadden. Dergelijke kiespropaganda is oneerlijk, omdat iedereen weet dat er overal in België druk werd gecollaboreerd. Een groter aantal politieke collaborateurs in Vlaanderen, werd in Wallonië en Brüssel ruimschoots gecom-penseerd door een groter aantal verklikkers. Alles is toege-laten aïs men de Vlamingen wil treffen.                              

14.  In januari 1971 werd er in Brussel in de 'Vaudeville' een revue opgevoerd, waarin o.m. de volgende opmerking voorkwam : 'On peut être Flamand sans être un imbécile' (La libre Belgique 7.1.71).                                                     (…)

15. Een meisje van 14 jaar van Vlaamse ouders, maar in een / Franstalige school onderwezen, verklaarde tijdens een officieel (p.20) gerechtelijk verhoor, dat haar vader 'un imbécile' was en gaf daarvoor aïs doorslaggevende reden op 'qu'il ne connaissait même pas le Français' (Edgard Van Cauwelaert, - Taalvrij-heid ? Blz. 166 - Nederlandse boekhandel). "

16. Een ander kind stelde haar moeder voor aan haar vrien-dinnetjes aïs de dienstmeid, omdat zij 'Vlaams' tegen haar sprak (Edgard Van Cauwelaert, Taalvrijheid ? Blz. 166 -Nederlandse boekhandel).

17.  Tijdens de prijsuitreiking van de vierde wedstrijd van Jeugd en Toerisme, ingericht door de Touring Club van België, werd er opzettelijk gerucht gemaakt en gelachen toen een jonge man in het Nederlands aan het woord kwam (maart 71).(…)

19. Uit de Standaard van 4.1.71 halen wij het volgende : 'Neen, in Brussel een autodokter opzoeken blijft voor vele Vlamingen een pijnlijke zaak. Dat bleek uit de massa schriftelijke, telefonische en mondelinge reclamaties die we te ver-werken kregen. Verkopers willen nog weleens de moeite doen een woordje Nederlands te produceren, maar eenmaal het contract ondertekend is het uit met de goede wil. Wie garantie of onderhoudsklachten heeft, dient zich in het Frans tot een andere chef te wenden, dat is een algemene klacht. Zij die het toch in het Nederlands wensen te doen ondergaan de hooghartige neerbuigende onverschillige behandeling die de Brusselaars voor dergelijke gevallen in voorraad houden.(p.21) Natuurlijk hier en daar valt er een uitzondering te noteren, maar die zijn veel te klein in aantal om ons hoopvol voor de toekomst te stemmen.'Verder beklagen verschillende lezers van de Standaard er zich over dat zij geen in het Nederlands gesteld onderhoudsboekje krijgen, en dat men hun klachten niet wil aanhoren aïs ze Nederlands spreken.

20.  In de maand mei 1969 werden in Brussel op de drukste plaatsen aanplakbiljetten aangebracht met als tekst : 'Ja, uw kinderen zullen meer dan één taal leren, aïs zij in 't Nederlands studeren' en verder onderaan de affiche : 'Vlaamse kinderen horen thuis in Vlaamse scholen.'Die aanplakbiljetten werden van de eerste dag af reeds besmeurd en beschadigd. Zolang de voorraad strekte (men had met die beschadiging rekening gehouden) werden telkens nieuwe affiches aangebracht (De maand in Brussel - februari 1971).

21.  Op 26 november 1970 schreef het gemeentebestuur van Klemskerke uiteraard in het Nederlands, een hoofs briefje naar een gewezen inwoonster die naar Brussel verhuisd was. In dat schrijven werd erop gewezen dat de betrokkene al enkele jaren uit Den Haan vertrokken was, en niettemin nog ingeschreven stond in het bevolkingsregister van Klemskerke. Men vroeg haar dit in orde te brengen. De aangeschreven dame(?) stuurde een brief terug, met een Franstalige commentaar : 'Brussel Frans, Vlaamse zwijnen, wees beleefd en spreek de taal van uw meesters'. Het gemeentebestuur diende een klacht in bij het gerecht.

22.  Op donderdag 22 april '71 werd aan de Oudergemlaan in Etterbeek het nieuwe gebouw van de Vlaamse Rijksacademie met een plechtige academische zitting ingewijd. Tijdens de opening werd de nadruk gelegd op het onverwacht succès van de Vlaamse muziekacademies in Brussel o.m. in Etterbeek, Schaarbeek en Anderlecht.Gedurende de nacht van 22 op 23 april werden de ruiten van de Academie van Etterbeek ingegooid. Een week later werden ze nog cens ingegooid.

23.  Toen bleek dat de Vlaamse film 'Mira of de teleurgang van de Waterhoek' in Brussel grote bijval had, werden de (p.22) affiches overal aan flarden gescheurd (De Standaard 5.3.1971).

24.  Op een van de eerste zittingen van de vernieuwde Etter-beekse gemeenteraad (begin maart 1970), werd de Heer Van Keirsebilek, die tôt gemeenteraadslid werd verkozen op de lijst van de U.T.B., uitgejouwd en uitgescholden voor V.N.V.-er, fascist, 'flamin qui n'a rien à chercher dans la capitale'.

25.  De burgemeester van Strombeek-Bever is de heer Soens, die weigerde de eed van twee verkozenen van het F.D.F. in het Frans te aanvaarden. Daarom kwamen er enkele honder-den F.D.F.-ers herrie schoppen in het gemeentehuis van het anders zo rustige stadje. Het loont de moeite in De Standaard van 28.4.71 te lezen hoe de heren en de dames van het F.D.F. zich tegenover de Vlamingen aanstelden :'Het gesoigneerde F.D.F.-publiek (want dat is het) brengt Hitlergroeten aan de lopende band, piept wat liedjes over fascisme, liberté en verraad en vraagt grijnzend de vertaling van wat de Vlamingen zoal te vertellen hebben in het 'patois'. Hier maak je brutaal onrecht mee. Vulgaire politieke agressie tegen een klein Vlaams stadje...'Als wij die 25 nuchtere feiten en feitjes gelezen hebben, vragen wij 'Vlamingen' ons af, wat de Brusselaars ons kunnen verwijten om ons zo te verachten ? Het houdt geen verband met de zogenaamde Vrijheid van het gezinshoofd' die wij hen ontnomen hebben, want toen die vrijheid nog bestond verachtten zij ons net zo hartsgrondig.(…)' Wij zijn in de ogen van de Franstalige Brusselaars onvergeef-, lijk plomp, terwijl zij zich etherische Ariëls wanen, die op de vleugels van de Franse cultuur sierlijk door het leven glijden.  

 

2 HET COLLECTIEVE MINACHTEN VAN ANDERE BEVOLKINGSGROEPEN

(p.25) De jood is ‘vuil’ voor de antisemiet zoals de Vlaming ’vuil’ is voor de Waal (Sale flamin).”  (...)

 

4 DE EERSTE SYMPTOMEN VAN DE VERFRANSING VAN BRUSSEL (p.36)

In 1560 verhief Philips II het Spaans tot hoftaal. 156 jaar lang was Frans spreken een eigenschap van de allergrootste heren en dat volstond reeds om die taal boven de andere talen te verheffen.Reeds in 1435 begint het Vlaams verweer tegen de verfran­sing. De Kempenaar Vanderheyden verzet er zich tegen dat men hem in zijn functie van eerste pensionnaris (hoofd der stedelijke administratie) voortdurend Frans opdringt. Hij was bereid de belangen van de goede stede aan het hof te behartigen op voorwaarde dat men hem het gebruik van het Frans niet opdringt. Zijn verzoek werd aanvaard. De taal van de administratie bleef dus Vlaams. Als cultuurcentrum bleef het hof echter Frans. De Franse dichters en kroniekschrijvers ge-noten de voorkeur van de hertog. Is het misschien daarom dat Vlamingen aïs Chastellain en Jean de Malines in het Frans schreven ? De hertog misprees het Nederlands zeker niet en de Nederlandse (p.37) schrijvers werden aan het hof goed onthaald (Augus-tijn van Dordrecht, Godfried van Maastricht, Jan van Geertruidenberg, Jan van Ramsdonck).Een van de hoogtepunten van het luisterrijke Boergondische vertoon was de orde van het Guldenvlies. Daar werd het spel van verfijning en pracht in het Frans gespeeld en Vlaamse edelen gingen vanzelfsprekend goed Frans leren om er te kun-nen aan deelnemen.Ook de Brusselse notabelen, die van op een afstand die Frans-talige exhibitie aanschouwden, werden erdoor bekoord. De leden van de Rederijkerskamer kwamen ook in aanraking met de Franse cultuur via de hofpoëten, de kroniekschrijvers van de hertog en andere Franstalige auteurs. De bewondering voor sommige werken leidde tôt vertaling en navolging. Er werden bovendien Frans-Dietse landjuwelen op touw gezet. De rederijkers uit het Vlaamse land die aan de landjuwelen wilden deelnemen kregen een vrijgeleide. Dat waren de allereerste symptomen van de verfransing van Brussel. Naar ons oordeel is die cultuurverfransing vrij oppervlakkig geweest, precies omdat zij niet tôt in het dagelijkse leven doordrong. Die bewondering voor de Franse literatuur gaf aanleiding tot tweetaligheid, die de voedingsbodem zal worden voor de ver­fransing.(…) 

 

5 DE WEDIJVER TUSSEN HET FRANS EN HET SPAANS

(p.39) De Spaanse krachten 

1. Een grote artistieke superioriteit Van 1550 tot 1650 was Spanje het grote cultuurland van de toenmalige beschaafde wereld. De superioriteit van de Spaan­se cultuur op de Franse was verpletterend. Wij noemen hier enkele namen en zullen later bondig hun énorme betekenis verduidelijken. Letterkunde Cervantes (1547-1616) Lope de Vega (1562-1635) Calderon (1600-1681) Tirso de Molina (1584-1648) Gongora (1561-1627) Alarcon y Mendoza (1581-1639) Gracian y Morales (1601-1658) De Castro (1569-1631) De Herrera (1534-1597) Quevedo (1580-1645) Garcilaso de la Vega (1503-1539) Guevara (1574-1644) Mescua (1570-1635) Montalvan (1602-1638) Schilderkunst El Greco, Velasquez, Murillo, Ribera, Pacheco, Zurbaran.

2.  Spanje dicteerde ook de uiterlijke cultuurvormen, zoals de mode, de omgangsvormen,  de beleefdheidsformules en de geest van de melancholische grandezza.

3.  Het Spaanse hof was in Brussel gevestigd en in 1560 werd het Spaans door Filips II tot hoftaal verheven. Met dat voorbeeld voor ogen waren er velen die Spaans begonnen te leren.  

            (1.Een zwakke culturele uitstraling. Ik hoor vele belezen Franstaligen 

zowel als Vlamingen protesteren. Wij zullen echter aantonen dat de Franse cultuur slechts na 1650 haar grote bloei beleefde, en dat haar grote Europese schittering slechts (p.40) omstreeks 1700 een aanvang nam.) De Franse krachten De grote namen van de Franse letterkunde voor de periode van ongeveer 1590 tot ongeveer 1650 zijn :

François Malherbe (1555-1628), François Mainard (1583-1646), Mathurin Régnier (1573-1613), De Viau (1590-1626), Honoré d'Urfé (1567-1625) (L'astrée), Cyrano de Bergerac (1619-1655), René Descartes (1596-1650).

Alleen Descartes is een man van wereldformaat. De anderen, behalve d'Urfé, hebben slechts een beperkte invloed gehad binnen de grenzen van hun milieu, hun streek of hun land. De Franse schilderkunst over de periode 1590-1650 is niet onbeduidend maar met schilders als de gebroeders Le Nain, Nicolas Poussin, en de graveerder Jacques Callot kan zij niet vergeleken worden met de Spaanse schilderkunst.

2.  Ook in het dagelijkse leven stond de Franse cultuur een trede lager dan de Spaanse, omdat deze laatste de toon aangaf in zake omgangsvormen, mode, beleefdheidsformules enz.

3.  De Franse cultuur had bij de aanvang van de Frans-Spaanse wedijver slechts een voorsprong in de economische sector. Inderdaad, zoals het Frans tijdens het Bourgondisch tijdvak in de adellijke kringen het Nederlands was gaan verdringen, zo was in de kringen van de grote koopmansgeslachten het Frans ook het Latijn gaan verdringen. Het Latijn aïs interna­tionale taal had gedurende de 16de eeuw veel van zijn invloed verloren, omdat het humanisme het klassieke Latijn weer in ere had hersteld, met het gevolg dat het verbasterde middeleeuwse Latijn met misprijzen behandeld werd. De gewone man voelde zich niet meer thuis in dat gepolijste klassieke Latijn, dat een taal voor geleerden werd. De hooggeleerde heren vertelden onder elkaar plezierige geintjes waarin de spot werd gedreven met het misvormde taaltje dat de kooplui spraken. (Floris Prims : De verfransing van Antwerpen in de 16de eeuw. Kan. Floris Prims Antverpiensia, 1939).Een andere taal moest dus het médium worden van de inter­nationale handel. Het Frans begon langzamerhand de functie van het Latijn (p.41) over te nemen. In 1566 schreef Hendrik Suderman, in naam der Duitse Hanze, Franse brieven aan de Stad Antwerpen. In 1562 stuurde de Engelse natie naar de magistraat van Ant­werpen een rekest dat in het Frans was opgesteld. De vreemdelingen in Antwerpen onderhielden hun onderlinge betrekkingen in de Franse taal. Zelfs akten tussen Duitsers te Antwerpen aangegaan, werden in het Frans opgesteld. Verklaringen, door vreemdelingen voor de Antwerpse overheden afgelegd, waren steeds in het Frans opgesteld. Wat voor Antwerpen gold, gold in mindere mate voor Brussel en omgekeerd. Inderdaad ook in Brussel waren er kooplui die zich om dezelfde redenen aïs de Antwerpse kooplui, lieten verfransen. Ook de Antwerpse adel bleef zoals de Brusselse Frans spreken, zelfs toen in 1560 het Spaans tot hoftaal was verheven. 

De strijd tussen de Spaanse en de Franse cultuur Aanvankelijk leek het Frans niet opgewassen tegen het machtige en rijke Spaans. Het Spaans werd immers niet alleen in Spanje gesproken. Het zag ernaar uit alsof het de hèle nieuwe wereld ging veroveren.In het bestuur van de Nederlanden werden geleidelijk meer en meer Spanjaarden opgenomen. Spanje beschikte over de mach-tigste vloot van de wereld. De Spaanse schepen hadden dus een groot aandeel in het Antwerpse scheepvaartverkeer. Dat betekent dat er in de Antwerpse havenwereld, met zijn zeelui, zijn havenarbeiders, zijn scheepsherstellers en zeilmakers, zijn kroegjes en taveernen, veel Spaans werd gesproken. Bovendien waren er in de stad zelf bestendig duizenden soldeniers ingekwartierd. Het leek wel of de verspaansing in Antwerpen in de onderste lagen was begonnen, terwijl ze in Brussel meer van overheidswege werd opgedrongen. Het Spaans overtroefde het Frans voornamelijk met zijn to-neel.De meeste grote Spaanse schrijvers die we hierboven hebben aangehaald hielden zich niet bezig met het schrijven van gedichten of diepzinnige essays. (p.42) Op enkele uitzonderingen na (Cervantes, Gracian, Herrera en Garcilaso) schreven ze allen toneel. En wat voor toneel ! Zegt men niet van Lope de Vega dat hij ongeveer 2200 toneelstukken heeft geschreven waarvan er nog ongeveer 500 bekend zijn. Van hem beweert men ook dat hij in één etmaal een volledig toneelstuk kon schrijven.Tirso de Molina schreef er 360, Quevedo 400, Calderon 700, Montalvan 60.Het Spaanse toneel heeft bovendien de Europese letterkunde overvloedig geïnspireerd.

Corneille heeft in zijn meesterstuk, Le Cid soms slaafs de tekst van de Castro gecopieerd. Tirso de Molina inspireerde Molière tôt zijn Don Juan. Pierre Cor­neille ontleende het gegeven van zijn stuk Le Menteur aan een blijspel van Alarcon (De verdachte waarheid). De Spaanse Bra-bander van Bredero was geïnspireerd door een schelmenroman van Mendoza, getiteld Het leven van Lazarillo de Tormes. Het thema van de arme student dat in zoveel Duitse comedies voorkomt, werd ontleend aan het Hol van Salamanca van Alarcon. Ook Scarron en Lesage ontleenden thema's aan het Spaanse toneel. Zelfs Goethe gewaardigde zich twee stukken van Calderon te bewerken (Prometheus en Pandore). Het toneel had enorm veel belang omdat de literaire schoon-heid toen collectief en auditief werd beleefd. De passie van Jezus Christus werd op het plein voor de kerk gespeeld, ge-dichten werden voorgedragen door de troubadours. De activiteit van de kamers van de Rederijkers bestond hoofdzakelijk in het opvoeren van toneelstukken.Het individualistische literaire genot in een hoekje met boekje, was toen voorbehouden aan enkele zeldzame estheten. De Spaanse acteurs en toneelgezelschappen hadden evenveel bijval als de Spaanse auteurs. Een Spaans gezelschap dat een stuk in Parijs ging opvoeren had er zoveel succès dat het er elf jaar is gebleven.Ook hier te lande was de vraag naar Spaanse toneelstukken zeer groot. De Spaanse hofhouding Het vermaarde toneelgroepen uit Spanje overkomen. Dat feit bewijst dat er veel Zuid-Nederlanders Spaans verstonden.

Er werden overigens veel Spaanse boeken gedrukt, eerst in Antwerpen, later in Brussel. Vooral in Antwerpen leerden steeds meer intellectuelen (p.43) Spaans, wat o.m. blijkt uit het herhaald herdrukken van woordenboeken. Op literair gebied werden de Franse culturele 'strijdkrachten' van de kaart geveegd.Hield het Frans met zijn complimentjes en lieflijkheden en zijn bewonderende mode in die gewoonte en levenscultuur dan geen stand ? Ook op dat gebied, dat later door de Franse cultuur onweerstaanbaar zal worden ingepalmd, moest het Frans wijken. Er is een tijd geweest dat de gehele westerse wereld volgens de Spaanse mode gekleed ging. De fameuze witte pijpjeskraag, die de illusie wekte dat het hoofd van het lichaam was ge-scheiden, was een uitvinding van de Spaanse mode. De Spaan­se geest was doordrongen van irrealiteit en daarom was de Spaanse kledij zo vreemd. De wambuizen bootsten kurassen na. Een puntbaard gaf het aangezicht de vorm van een driehoek zodat elke man een bleke, melancholische leptosoom leek.Wie zo gekleed ging, behoorde niet tôt de menselijke soort, zelfs niet tôt de apenfamilie, maar tôt de wereld van torren en scarabeeën.De Spanjaarden hadden iets van hun geest en hun sfeer in hun kleding weten te leggen en daarom werd de Spaanse mode overal gevolgd. Tegenover de stijl der contrareformatie, die Spaans was, stond de stijl der hervorming.

Het is pas veel later, onder Lodewijk de veertiende, dat de Franse mode definitief toonaangevend werd. Wij maakten reeds gewag van de Spaanse grondgolf die van onder uit het dagelijkse leven met een Spaanse saus overgoot. In een tijd dat het negentiende-eeuwse patriottisme nog niet was uitgevonden, stonden de burgers niet vijandig tegenover het Spaans omdat het de taal van de bezettende macht was. Dat er met de Spanjaarden duchtig werd verbroederd, blijkt uit het feit dat er nog altijd veel Spaanse namen in Antwerpen voorkomen (Portocarrero, Lopez, Cardozo, Loppa, Sipido, de Guevara, Loridon d'Aguilar, Mendoza, Ferez, Munar, Carnas). De donkere haarkleur van vêle Antwerpena-ren zou verband houden met de innige sympathie die de vrouwelijke bevolking voor de Spaanse bezetter voelde.

(p.44) In het Antwerpse dialect komen er veel Spaanse woorden voor zoals 'estaminet' of 'staminée', 'pagadder' (Pagador = een Spaanse betaalmeester. Er moeten rare kerels tussen gelopen hebben, gezien de betekenis die het woord in het Antwerps heeft gekregen) en 'lorejas' (Los rejas = de koninklijke Spaan­se troepen).'Gili', dat in het Madrileens dialect gek betekent, houdt ver-band met de Gilles van Binche die overigens hun grote vederbossen uit Peru (sic) hadden betrokken. Het woord 'schapraai' zou afgeleid zijn van het Spaans 'Escaparate' (uitstalraam). Het Zuidnederlandse avontuur heeft ook zijn sporen in de Spaanse taal nagelaten.'Poner Flamenco' = zich als een Vlaming gedragen, betekent opscheppen.'Poner un pica en Flandes' = een lans in Vlaanderen plaatsen, betekent in een moeilijke onderneming slagen. 'Pasar por los bancos des flandes' heeft ongeveer dezelfde betekenis.'Flamengueria' is een geheel van provocerende houdingen van de meisjes uit een slecht befaamd kwartier. De Spaanse kunstenaars waren allemaal opgetogen over hun verblijf in Vlaanderen. Vandaar de spreuk 'no hay mas Flan­des', er gaat niets boven Vlaanderen. De Flamenco is de waardige afstammeling van de mannen die in de tercio's hier te lande vochten. Hij is stoutmoedig, gevat en sluw en zijn vreselijke strijdkreet 'Viva la muerte' (Leve de dood) was een typische uiting van de irreële Spaanse levens-stijl.

Hoe sterk de Zuidnederlanders zich door de Spaanse levensstijl lieten beïnvloeden blijkt afdoende uit het toneelstuk 'De Spaanse Brabander.'De held van het stuk is een statuszoeker die zijn omgeving wil wijsmaken dat hij een hoge status voert. Hij doet zich rijk voor, hoewel hij straatarm is en hij wil een Spanjaard schijnen ofschoon hij een rasechte Antwerpenaar is. Dr. Jan ten Brink schrijft hierover in zijn werk Gerbrand Adriaensz Bredero (Rotterdam 1871, blz. 459) 'Vlamingers (sic) en Brabanders hadden sinds Karel V onder Spaansche regering een menigte kenmerken van dat eigenaardige Spaansche (p.45) aangenomen, 't welk in de noordelijke provinciën, waar het Saxiesch Pries element zich krachtiger openbaren moest, nimmer was geduld. Zo waren allengs de kleurenpracht der Spaansche kledij, de deftigheid en de courtoisie der Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden inheems geworden. Eene figuur als Jonker Jerolimo Rodrigo, te recht door Brederoo 'de Spaansche Brabander' genoemd, kan dus allerminst van overdrijving beschuldigd worden, daar bijna eventijdig te Antwerpen een Jonker Frederico Cornelio de Conincq optreedt, die uit ingenomenheid met de Spaansche kunst de Jornades van Lope de Vega op 't Vlaamsch toneel wilden invoeren.

Maar inzonderheid te Amsterdam moest die Spaansche kleur der Brabanders in 't oog springen toen dele na Antwerpens overgang in aanzienlijke getale naar de Neringrijke koopstad de wijk namen...Haar rokoko Vlaams rhetorizeeren, hare Spaansche statigheid en hare Spaansche snoeverij wekten wederom juist in Amster­dam te heftiger antipathieën naarmate zich daar, sinds de aanvang der Zeventiende Eeuw, alle uitingen der echt Nederlandse levenskracht als in één kostelijk brandpunt hadden vereenigd'. Zoals 'Le bourgeois gentilhomme' als een adellijke heer wil voorkomen, wil de Spaanse Brabander voor een Spanjaard worden genomen. Het thema van de hoovaardige, snoevende meester met een nuchtere knecht is hoegenaamd niet nieuw in de Nederlandse letterkunde. De Antwerpenaar Willem Ogier schreef in zijn jeugd een klucht : 'De hooveerdigheyt' waarin een personage als Jerolimo en zijn knecht Robbeknol voorkomt. Misschien daarom heeft Bredero het gebeuren van zijn toneelspel 40 jaar vroeger gesitueerd toen Alva en de pest in Antwerpen woedden.

Dat alles bewijst dat de verspaansing in zeer verscheidene milieus doordrong. Als de verspaansing zoveel succes had, waarom is ze dan uiteindelijk gestrand ? Omdat de verspaansing er nooit in geslaagd is een spaanstalige elite te vormen. Toen de Spaanse cultuurgolf kwam aanrollen, (p.46) bestond er reeds een franstalige elite die vrij gemakkelijk aan die Spaanse vloed kon weerstaan. Sedert lang spraken die Franstaligen een andere taal dan het gewone volk en dat had ze zeer zelfbewust gemaakt. Zij waren meer en beter dan al die profeten en simpele lieden die de taal van de ketters spraken. De Franstaligen daarentegen spra­ken de taal van de vorst, van de edellieden en van de rijke kooplui. De betere standen hadden dus reeds hun onderscheidingsteken en het feit dat het Spaans cultureel gezien veel rijker was, was zeker voor de Franstaligen geen reden om van taal te veranderen. Cultuur is immers voor de meeste mensen slechts een moment in het leven. Men geniet ervan als men een toneelvoorstelling bijwoont, een gedicht hoort voordragen, of een schilderij bewondert.Rijk zijn daarentegen, meer zijn dan de anderen, macht hebben, verwekt een gelukzalige sfeer waarin elk moment van de dag baadt. Het is een blijvend en voortdurend genot. Bovendien voelde de Zuidnederlandse adel om politieke redenen er niet veel voor zich te laten verspaansen. Karel V had indertijd de élite van de Nederlandse adel mee naar Spanje genomen en hij had er geregeerd aïs een Vlaamse vorst omringd door Vlaamse edellieden.De Spaanse adel had tegen die usurpatie van zijn voorrechten geprotesteerd. Begrijpelijk was het, dat, nu de rollen waren omgekeerd, de Vlaamse adel er niet veel voor voelde zich te laten verspaansen. De rijke kooplui voelden zich als Franstaligen reeds halve edelen. Aangezien zij ernaar streefden in de adel te worden opgenomen, klampten zij zich vast aan het Frans al was het maar om te tonen dat zij aan de voorwaarden beantwoordden om een edelman te worden.De franstaligen waren economisch de sterksten, de zelfbewusten die zich niet erg om de grote culturele waarden bekom-merden. Hoe indrukwekkend de Spaanse culturele golf ook was, zij vond geen opening waarlangs ze binnen kon dringen en wortel schieten. De Spaanse cultuur beschikte niet over een elite die een bruggenhoofd kon slaan van waaruit ze heel Zuid-Nederland kon veroveren. Omdat er geen inheemse (p.47) Spaanse elite was, bleef de Spaanse cultuurgolf een tijdelijk verschijnsel, dat verschenen en verdwenen is zoals een mode. De loop der geschiedenis had de Spaanse cultuur naar onze gewesten gedreven, maar zij had er nooit wortel geschoten en daarom was ze zachtjes weggeëbd zonder veel sporen na te laten.Er is nog een andere reden waarom het Frans gebleven en het Spaans verdwenen is. De Franse cultuur was ons niet zo vreemd aïs de Spaanse. De Spaanse stijl was weliswaar geraf-fineerd, maar hij was buitenissig. De irreële inslag in de Spaanse stijl was niet van die aard om de nuchtere mensen van de lage landen te bekoren. De Franse cultuur, die dichter bij huis was ontstaan, was hier bekend. Toen reeds ontstond bij de Fransen die zucht om te behagen die ze later zozeer zou tekenen. De Franse courtoisie en panache zullen vele Brusselse harten veroveren zoals we hierna zullen aantonen.  

 

6 PANACHE ALS MIDDEL TOT VERFRANSING

 (p.48) Als gevolg van de interne moeilijkheden tijdens het bewind van Richelieu vroeg een groot aantal Franse ballingen aan Filips IV de toelating zich in Brussel te mogen vestigen. Filips IV kon hun die toelating niet weigeren. De vijanden van de Franse koning waren immers zijn vrienden. Zij kwamen zich met hun gevolg : hun familieleden, vrienden en hovelingen in Brussel vestigen en zij werden er door de machthebbers goed onthaald. Indien Filips IV de levenswijze en de gedragingen van zijn beschermelingen beter gekend zou hebben, zou hij die beslissing nooit genomen hebben. Alleen reeds uit sommige détails van hun kledij zou hij hebben kunnen afleiden dat zij hoegenaamd niet pasten in de sombere Spaanse hofhouding. Hun kledij en opschik was gekenmerkt door een gewilde en gestileerde 'débraillé'. Zij droegen inzakkende accordéon- of bekerlaarzen, hun hoofddeksel, met nonchalant omgeslagen boord, was versierd met een naar achteren afhangende veder die soms tôt in de helft van hun rug reikte. Hun wambuis werd slechts dichtgeknoopt boven aan de haïs tôt aan de borst en bleef verder open. De Spaanse stijve pijpjeskragen werden vervangen door grote platte kragen die over de schouders hingen. Het hemd puilde uit de opening van de mouwen en uit de broeksrand. Zij droegen tevens een manteltje 'cape' genaamd, dat hen tijdens hun tweegevechten niet hinderde. Vandaar de benaming 'Histoires de cape et d'épée' (Mantel en degenverhalen) (Zie : Lucienne Brunin : Geschiedenis van het kostuum, Standaard Uitgeverij blz. 266). Die Fransen kwamen uit een wereld van cynici en genieters (p.49) die alsmaar sterkere sensaties zochten. Hun vorst daarentegen had een saaie maar zeer onberispelijke levenswandel, maar zijn onmiddellijke voorgangers waren pervers. Hendrik de derde was een verdorven vorst die zijn 'play-boys' had, toen 'mignons' genaamd. Hij verkleedde zich soms in vrouw en liet in het openbaar zijn liefde voor zijn lustjongens blijken.Precies uit die vrij lange traditie van perversiteit was er een speciaal eergevoel gegroeid. Zij gedroegen zich in het open­baar zeer immoreel, maar stelden het op prijs iedereen te tonen dat zij de dood niet vreesden. Door die doodsverachting voelden zij zich boven de alledaagse kleinzielige mensen ver-heven. Hun 'panache' en hun perversiteit waren innig verwe-ven. In een tijd die, althans officieel, christelijk was, was die lachende doodsverachting maar mogelijk door in geen God of gebod te geloven.Voor een spottende blik, een misprijzend gebaar, een niet geëerbiedigde voorrang trokken ze hun degen en vochten ze glimlachend totdat ze dodelijk getroffen werden. Het leven was voor hen een aaneenschakeling van liefdesavonturen die gewoonlijk eindigden met een steekspel. De Brusselse dames die dikwijls de inzet waren van die galante gevechten, waren er trots op dat er mannen waren die hun hachje waagden om hen te bezitten. De Brusselse mannen waren natuurlijk wel afgunstig maar ze vonden het veiliger die Franse dollemannen niets in de weg te leggen. Hoewel ze al die avonturen van de Fransen in het openbaar afkeurden, bewonderden ze heimelijk die Franse panache. Dat vrolijke en geestige Franse milieu was precies het tegendeel van de sombere, vervelende Spaanse hofhouding. Bij de Fransen werd er voortdurend gelachen en gespot en zelfs de dood maakte deel uit van de loi. Aan het Spaanse hof verveelde men zich stierlijk omdat iedereen er zich bedreigd voelde door de dood en de eeuwige verdoemenis. In die opkomende Franse cultuur was toen reeds haar later hoofdkenmerk aanwezig : de zucht om te behagen. Die 'pana­che' was toen een 'show' die tot doel had bewondering te wekken en te behagen.Behagen wordt langzamerhand de wezenstrek van de Franse cultuur, zoals ondubbelzinnig blijkt uit sommige uitspraken (p.50) van de grootste Franse kunstenaars : 

On ne considère en France que ce qui plaît : c'est la grande règle et pour ainsi dire la seule' schreef Lafontaine (Préface des Fables).

'Je voudrais bien savoir si la grande règle de toutes les règles n'est pas de plaire' schreef Molière (Critique de l'école des femmes sc. VI Dorante).

'La principale règle est de plaire et de toucher' schreef Racine (Préface de Bérénice).

Die zucht om te behagen was de voornaamste reden van het overdonderend succès dat de Franse cultuur later zou kennen. Het contrast tussen de Spaanse hofhouding en de hofhouding van de Franse Prinsen was te groot. De Spaanse machthebbers koesterden niet veel sympathie voor dat wufte en lichtzinnige Franse gedoe.Voor de gouverneur-generaal waren die Fransen lastposten. Hij had tôt plicht de orde te handhaven die door de Franse haantjes de voorste voortdurend werd verstoord. Maar hij moest tevens die prinsen van koninklijken bloede ontzien omdat ze bondgenoten waren tegen de koning van Frankrijk. De Brusselaars hadden tussen de triestige plechtstatigheid van de Spanjaarden en de bruisende levensblijheid van de Fransen spoedig gekozen. Reeds tijdens de regering van Isabel-la was er aan het Spaanse hof weinig amusement, maar na haar dood werd het waarachtig een sombere boel. Haar opvolger was de kardinaal infant Ferdinand, aartsbisschop van Toledo en broer van Filips IV. Ferdinand Het zich uitsluitend door Spanjaarden omringen. Hij wilde zo weinig mogelijk met het andere geslacht in aanraking komen. De darnes moesten elders gaan logeren. Het Frans was voor hem zozeer het sym-bool van het wufte en het lichtzinnige geworden, dat hij geen Frans kapsel meer wilde zien. En ondanks al die Spaanse bemoeiingen is de verfransing onder de Spaanse heerschappij fel gaan toenemen.De eerste vloedgolf van bannelingen verzoende zich met de koning en ging zich geleidelijk weer in Frankrijk vestigen. Omstreeks 1650 kwam er een nieuwe vloedgolf Fransen naar Brussel met aan het hoofd Louis de Condé, die als leider van de Fronde in Spaanse dienst overging. Het lustige spel van (p.51) dansen en vechten kon herbeginnen.                                    

Uit die tijd dagtekent de grote klacht van de eerste Brusselse flamingant, de bekende drukker Mommaert Jr. 'dat ze zich quansuys vermijden deselve (hun moedertaal) te spreken hoe-wel zij dikwijls nauws eenighe andere grondelijk verstaan'. Voor het eerst stellen wij vast dat Brusselaars zich schamen ( omdat zij Vlaming zijn en liever slecht Frans dan hun eigen taal spreken. Zich schamen voor zijn taal wordt een constante , in de psychologie van de Vlaamse Brusselaar.                        

Al wie ook maar enigszins in staat was een andere taal te spreken, klampte zich vast aan het Frans omdat men daardoor meende toegang te krijgen tot een verfijnde wereld. Al wat Frans was had veel bijval. Franse toneelgroepen waaronder 'Les comédiens de Campagne' gaven regelmatig verto-ningen te Brussel. En aangezien dansen toen een specifieke Franse cultuuruiting was, werd er in Brussel veel gedanst. Zo triest aïs het Spaanse hof was, zo prettig was het leven in de stad.'Dat Brussel in die woelige jaren een ware oase van peis en vree vormde, zal die danslust wel hebben gestimuleerd'. Het getuigenis van de Franse kolonel Duplessis l'écuyer, die er zich in 1650 ophield, wettigt die veronderstellingen. Op minder dan een kwartmijl van de stad lag de zoom van het Zoniënwoud, bevolkt met herten, reebokken en damherten, waarop tôt onder de wallen jacht kon worden gemaakt. Op straten en pleinen wemelde het van karossen en bonté livreien. Aartshertog Leopold liet voor zijn koor de beste stemmen uit Duitsland en Italie aanwerven. De Warande was altijd toegankelijk voor de 'honnêtes gens' en tweemaal per jaar voor het gewone volk. Het moet zo'n heerlijke aanblik geboden hebben, dat Puget de la Serre uitgeroepen zou hebben 'si j'avais vu un pommier je l'aurais pris assurément pour le paradis terres­tre'. In het Frans was men erin geslaagd dagelijkse omgangsvormen te scheppen die het leven verfraaiden. U kent waarschijnlijk de Franse beleefdheidsformules en hun koninklijke afkomst (je vous en prie, je vous fais grâce, Vous plairait-il ? Ravi de vous connaître, Vous me comblez, charmé, navré etc.). Voor zover als nodig verwijzen wij naar 'Psychologie van de (p.52) Franstaligen' blz. 36 en volgende (Standaard Uitgeverij). De verschillende fasen van de verfransing kunnen wij tot dusver als volgt samenvatten :Eerste fase : Het franssprekende Boergondische hof veralgemeende de tweetaligheid. Tweede fase : De grote uittocht naar het noorden beroofde Zuid-Nederland van de keur van het volk. Het Vlaams was de taal van de onderlaag geworden. Het Frans daarentegen werd gesproken in een zorgeloze behaagzieke wereld (denk even aan de zorgeloze mooie meisjes en jongens van een Stuyvesant-of Coca-colareclame). De verspaansing mislukte omdat er geen édite verspaanste minderheid was waarop ze kon steunen en omdat de Spaanse levensstijl bij onze bevolking hoegenaamd niet paste. Men gaat Frans spreken omdat men zich over zijn moedertaal gaat schamen, en omdat men aldus uit een nare werkelijkheid wil ontsnappen. (p.58) Alleen Engeland bood een soliede weerstand aan de algemene drang naar verfransing. Nu we de lamentabele toestand van het 'Vlaams' in Brussel kennen, begrijpen we dat de Brusselse bevolking toen met man en paard naar de Franse cultuur overliep. De Brusselse statuszoeker die het Frans als een tweede taal had aangeleerd, wilde een echte franstalige worden en daar kon hij slechts in slagen als hij zijn huiskring volkomen verfranste. Frans leren is niet gemakkelijk voor een Vlaming (in tegenstrijd met hetgeen men gewoonlijk beweert). Gaan leven in het Frans is echter oneindig veel moeilijker. Alle Brusselaars, die op een afstand getuige waren van het schitterende Franse cultuurvertoon, deden hun best om netjes Frans te praten, maar hun taal bleef houterig en plomp. De modellen waar ze de geest en de 'tournures' van moesten over-nemen waren nog te ver van hun verwijderd. Het grote succès van het Frans had tevenseen nadelig gevolg. Omdat de hèle burgerij ongeveer gelijktijdig wilde verfransen begon men overal slecht Frans te spreken. Maar deze would-be franstaligen waren ervan overtuigd dat hun 'Beulemans-Frans' goed Frans was en dat zij een heel eind op de maatschappelijke ladder waren gestegen. (p.59) Om het verfransingsproces te bevorderen kregen de Brusselse statuszoekers hulp uit Frankrijk. Talrijke Franse kloosterorden kwamen zich hier te lande vestigen en openden franstalige kostscholen. De eerste Franse kloosterorde die zich in het Brusselse kwam vestigen waren de zusters Ursulinen. Zij werden gevolgd door 'Les dames de Sion', 'Les dames du Sacré-Cœur', 'Les sœurs de Notre Dame' enz. Daar kregen vele generaties meisjes dat vernisje Franse cultuur waar ze zo dol op waren, en waardoor ze zich superieur waanden. De grote hoogtepunten van de Franse cultuur daarentegen werden in die scholen volkomen geïgnoreerd.                                       

Tijdens de regering van Maria-Elisabeth was al wat van Franse oorsprong was, verdacht omdat zij met de Jansenisten en de encyclopedisten wilde afrekenen. Een boekhandelaar beweerde in 1718 dat niemand zich een boek durfde aanschaffen uit vrees te worden verdacht van Jansenisme. Graaf Henri de Calenberg, veldmaarschalk van het Oostenrijkse leger in Nederland, zag zich genoodzaakt een boek in Den Haag te bestellen omdat hij er ter plaatse niet de hand op kon leggen. (Hemmerechts K., Het Triëst van het Noorden, Davidsfonds.) De rector van de Leuvense universiteit wilde het onderricht in de cosmologie van Copernicus beletten. Hij eiste van de (p.60) zon dat ze opnieuw rond de aarde zou gaan draaien ! (p.60) Wat beschaafd voorkwam, zoals o.m. de adel, de burgerij, de ambtenarij en zelfs het Oostenrijks bestuur, sprak Frans. Men schaamde er zich over dat men Vlaams kende, zodat sommigen Vlaams met een Frans accent spraken, om een goede indruk te maken.Wij hebben zelf nog de tijd gekend dat op school weinig punten behalen in Nederlands, als een bewijs van een goede opvoeding werd aangezien. Alles wat op een Vlaamse afkomst wees was verachtelijk. (…)  

 

8 DE FRANSE BEZETTING

 (p.62) In geheel Zuid-Nederland, dus ook in Brussel, werd dezelfde taalpolitiek gevoerd aïs in het Franse rijk. De interne admi-nistratie was volkomen Frans. Wetten en decreten werden weliswaar in de volkstaal gepubliceerd doch die vertalingen hadden geen rechtskracht. De rechtsbedeling in civiele zaken geschiedde in het Frans. Er mocht alleen in het Frans gepleit worden. Alleen de in het (p.63) Frans opgestelde documenten werden als bewijsstukken aan-vaard. In 1803 verschijnt er een verbod de notariële akten in het 'Vlaams' op te stellen. De Brusselse drukker De Brackenier, die een Vlaams blad uitgaf, werd in 1795 in de gevangenis opgesloten. Geen openbaar ambt kon in Brussel nog uitgeoefend worden door iemand die onvoldoende Frans kende.                                               

In elke hoofdplaats, dus ook in Brussel werd een 'Ecole cen­trale' ingericht, waar het middelbaar onderwijs uitsluitend in het Frans werd gegeven. In 1804 worden 'l'Ecole de droit' en 'l'Ecole de médecine, de chirurgie et d'accouchement' opgericht in Brussel, waardoor de stad het centrum werd van het hoger onderwijs in Brabant. Er ontstond een taalbarrière tussen het middelbaar en het lager onderwijs. Dat laatste werd voorlopig nog in het Vlaams gegeven, maar de oude wantoestanden, zoals onvoldoende scholen en leerkrachten, het lage peil van het onderwijs, bleven voortduren. Het gevolg was een algemene ongeletterdheid.Er werden lagere Franse scholen opgericht waar voortreffelijk onderwijs in het Frans werd verstrekt, en er werden premiën uitgekeerd aan de onderwijzers die Franse scholen openden. (Lindemans, Het Vraagstuk Brussel uit Vlaams oogpunt, blz. 10). Op de vooravond van Waterloo was Brussel uitwendig verfranst.                                                                                      

9 HET HOLLANDS BEWIND

 (p.65) Terwijl de Franse bezetters in 1791 de algemene sympathie genoten, werd de cultuurpolitiek van Koning Willem in Brussel slecht onthaald. Willem I wilde het Hollands opdringen in plaats van de bestaande resten van de Nederlandse cultuur in het Zuiden nieuw leven in te blazen. Het kosteloze lager onderwijs in het Nederlands werd onder staatstoezicht geplaatst. Directeurs en onderwijzers waren uit het noorden afkomstig.In het Brusselse atheneum bleef men in het Frans onderwijzen. De poging tot vervlaamsing van de lagere klassen stuitte op hevig verzet, omdat men van het Hollands niets wilde weten en omdat de leerlingen onbekwaam bleken het onderwijs in het Hollands te volgen.De Brusselaar bleef trouw aan de bestaande franstalige cultuurorganisaties terwijl hij de nieuwe nederlandstalige ne-geerde. Het toneelleven bleef er Frans. En voor de zoveelste maal kwam een groot aantal vooraan-staande Franse émigrés, zoals Sieyès, Barras, Madame Tallien, Barrère, Cambacéres, de dichter Arnault, de jurist Merlin, de schilder David, zich in Brussel vestigen.                          

Of ze nu Bonapartisten, revolutionairen, courtisanes of kunstenaars waren, allen kwamen zij uit het land van de grote vernieuwing en zij hadden een stuk geschiedenis helpen schrijven. Het Hollands bestuur daarentegen slaagde er niet in al die verbrokkelde gewestspraken nieuw leven in te blazen, zodat de sterke Franse druk van de hogere standen op de lagere niet verminderde. De kleine man die in Brussel uit zijn begrensd milieu wilde ontkomen, moest nog altijd Frans (p.66) kunnen praten. Onder het Belgisch regime zou die druk op de zwakkere onweerstaanbaar worden.De verfransing werd een patriottische aangelegenheid.  

 

10 HET BRUSSELSE NATIONALISME

 (p.68) In het binnenland had voornamelijk de Franstalige elite er belang bij. Daarmee bedoel ik zowel de Franstalige Vlaamse elite als de Franstalige Waalse. Inderdaad, ook Wallonië was indertijd niet overwegend franstalig. Het gewone volk sprak een of ander Waals dialect en de elite sprak Frans.Enkele tientallen jaren geleden leefden er nog vele Walen die alleen maar Waals konden spreken. De Walen zijn erin (p.69) geslaagd het Frans te assimileren omdat tengevolge van hun welstand er een groter aantal kinderen naar school kon gaan in een tijd dat vele Vlaamse kinderen nog moesten gaan werken.(…) Een andere reden waarom de Walen zo vlug verfransten is te danken aan de aanwezigheid van een Waalse elite die Frans sprak. Daar keken de gewone Waalse mensen naar op, daar vonden ze het patroon waaruit het type van de vriendelijke, levenslustige en ietwat oppervlakkige Waal zal groeien die Frans spreekt met een Waals accent. In Vlaanderen daarentegen was het taalverschil tussen het dialect en het Frans van de elite zo groot dat het gewone volk de taal van de hogere standen onmogelijk kon assimileren. Ook het Nederlands kwam toen niet in aanmerking als cultuurtaal omdat de taal die de beschaafde Vlamingen spraken hoegenaamd niet met het Nederlands uit het Noorden overeenstemde.                                                                            

De Belgische Staat was dus aanvankelijk de staat van een Waals-Vlaamse minderheid die Frans sprak. Die minderheid overspande geheel het grondgebied. België was ook geen democratie, want in 1846 waren er slechts ongeveer 44.000 kiezers op een bevolking van ongeveer 4.200.000. Een kleine franstalige minderheid beheerste geheel het staatsapparaat. Een massa van ongeveer 1.800.000 franstaligen (lees : Walen ) die dialect spraken) en ongeveer 2.400.000 Nederlandstaligen (lees : Vlamingen die dialect spraken) hadden geen politieke rechten en werden uit het staatsbestuur volkomen geweerd. Met die werkelijkheid voor ogen kan men de psychologie van de Brusselaar uit de 19de eeuw zeer goed begrijpen.                 

(p.70) Uit Wallonië kon er voor Brussel geen gevaar dreigen. De snelle verfransing consolideerde de nieuwe Belgische Staat. In het Vlaamse land daarentegen ontstonden er in Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen, kringetjes en kransjes die voor dat armzalig misprezen taaltje ijverden.Onbewust voelde iedereen aan dat de eenheid van de Belgi­sche Staat in het gedrang zou kunnen komen wanneer 'het Vlaams' een ware cultuurtaal zou worden. Omdat de Brusselaars als het onontbeerlijke nationale bindteken fungeerden, vereenzelvigden zij zich met geheel België. Wat niet met hun belangen of met hun opvattingen strookte was verraad. Ieder­een die maar een beetje Vlaamsgezind was, was een potentiële verrader.Die felle antipathie tegen al wat Vlaams was, uitte zich voor-namelijk in een krenkend misprijzen zoals blijkt uit de staaltjes die we hebben aangehaald in De psychologie van de Franstaligen in Vlaanderen blz. 51. Zie o.m. de zaak Schoep, het advies van de advocaat-generaal Mestdach de ter Kiele waarin hij het Vlaams een 'idiome inintelligible" noemde ; het arrest van het hof van verbreking van 12 mei 1872 ; een artikel in 'L'opinion libérale' ; de uitdaging van Coremans door (p.71) Bara in het Belgisch parlement en de talrijke voorbeelden aangehaald in hfst. 2. Daarom werden gematigde flaminganten zoals Coremans, Fr. Van Cauwelaert, K. Huysmans, G. Sap, Edm. Rubbens, Herman Vos, voor verraders uitgescholden. Wie herinnert zich nog de felle haatcampagne die vôôr de tweede wereldoorlog eerst tegen Kamiel Huysmans en later tegen Frans Van Cauwelaert in de Brusselse kranten werd ontketent ? De Brusselaars beseften dat naarmate de invloed van de Vlamingen in de Belgische Staat toenam, zij aïs be-voorrechten steeds minder te betekenen hadden en dat zij uiteindelijk door de schuld van de flaminganten op de wip zouden komen te zitten.                                                     

Onder het mom van taalvrijheid werd toen het Nederlands in' Vlaanderen uit het openbare leven geweerd juist zoals het thans nog het geval is in Brussel.                                           

(…) In de gemeentelijke en de staatsdiensten, in de scholen en de ziekenhuizen, in de bedrijven en de winkels prentte men de Vlaamse immigrant in dat hij een stakkerd was zolang hij Vlaams bleef spreken. En kan men het die stakkers kwalijk nemen dat zij zich veilig waanden aan de zijde van de sterk­ste ?Aan de zijde van de sterkste gaan staan is een constante in dehouding van de franstalige Brusselaar.

Tijdens de laatste we­reldoorlog kende het Nederlands onderwijs in Brussel een ongekende bloei. De Brusselaars haalden hun kinderen uit de Franstalige scho­len weg en zonden ze naar de Vlaamse scholen omdat zij dachten dat de Vlamingen toen de sterksten waren, althans een betere kans maakten dan de Walen.  

 

11 DE VERLOOCHENING VAN WAT MEN ZELF GEWEEST IS

 (p.72) De Amerikaanse zakenman verloochent zijn afkomst niet. Hij is er trots op dat hij eens met kranten heeft gevent en thans over een bankrekening van miljoenen dollars beschikt. De Europese zakenman daarentegen wil in de hoogste kringen worden opgenomen en daarom wil hij allés wat aan zijn af­komst herinnert, doodzwijgen.In Amerika is het persoonlijk welslagen nog altijd belangrijker dan de afkomst.              

In Europa is het andersom (althans in de hoogste kringen). Herhaaldelijk heb ik vastgesteld dat vooral vrouwelijke status-zoekers een telle afkeer hebben van de lagere standen waarin ze werden geboren. Als een vrouw heel nadrukkelijk de rol van een grote dame speelt en heel agressief is jegens de minderen, bestaat er een grote kans dat ze ergens in een achterbuurt werd geboren, of indertijd door een veelbelovende, dolverliefde jonge man uit een of andere kroeg werd gehaald. Vergeleken met de welstand waarin ze nu leeft, is de gedachte aan haar armzalig verleden een hoon geworden. Daarom wil ze zo vlug mogelijk vergeten wie ze was. Meer nog dan de armen misprijst ze haar eigen verleden.                          

Een zelfde reactie heeft de zogenaamde Franstalige Brusselaar ' tegenover zijn Vlaams verleden. Als hij van het platteland (p.74) komt moet hij heel zijn levenswijze en zijn opvattingen herzien en zich aan een stedelijke cultuur aanpassen. Bovendien moet hij een andere taal leren. Als hij na die moeilijke aanpassing nog eens naar zijn dorp terugkeert, is hij er getuige van zijn vroegere achterlijkheid. Hij beroemt er zich op dat hij nu Frans spreekt zoals de echte beschaafde lui. Zijn moedertaal is een slordig dialect. De Brusselse statuszoeker is dat dialect gaan vertalen en het resultaat is een taaltje dat weergaloos is in de Westerse wereld. Die woordelijke vertaling is gebrekkig, de uitspraak bar-baars en de zinsbouw is navenant. Maar de povere Brusselse statuszoeker is gelukkig in zijn nieuwe lompen. De oude minderwaardigheid heeft hij afgelegd. Zijn meer-zijn zal hij uiten door zijn vroegere lotgenoten te misprijzen. Ook als hij erin geslaagd is dank zij een goede opvoeding zijn nieuwe taal behoorlijk te spreken, blijft de oude smet nawerken aïs een vernederende minderwaardigheid. Daarom vinden wij zoveel Vlaamse namen bij de militante Brusselse Franstaligen : De Muyter, Mundeleer, Outers, Persoons, Knoops, Van Ryn, Van Offelen, Machtens, Janssens (L'Oasis Francophone), Boon (Volksvertegenwoordiger), De Visscher, Peeters (Près. F.D.F. Brussel), Nols (Burgemeester van Schaarbeek), Peeterman, Veydt, Geurts. (…)

Le Front des Francophones is zodanig overstelpt met Vlamin­gen dat de echte Franstaligen niet altijd kunnen verhinderen dat er storende taalfouten in hun propaganda sluipen. Annexatie is een Vlaams woord. In het Frans zegt men annexion.(p.75) Welnu, voor de verkiezingen van 1970 werden er duizenden affiches geplakt waarop gedrukt stond : 'Dilbeek, annexation à Bruxelles!' (Pourquoi pas ? 17 sept. 70). Schaarbeek is een arbeidersgemeente, gelegen in het noorden en dus een Brusselse voorpost in het Vlaamse land. Normaal zouden de Vlamingen daar sterk vertegenwoordigd moeten zijn. Uit de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 blijkt precies het tegenovergestelde. Het F.D.F. heeft trouwens in Schaarbeek de burgemeesterszetel veroverd (de Heer Nols). De Vlaamse arbeiders willen verlost zijn van hun ellende en daarom worden zij dikwijls agressief anti-Vlaams. Het misprijzen van de Waal voor het Vlaams of het Nederlands is anders. In feite hadden de Walen gelijk toen zij indertijd meenden dat er in Vlaanderen alleen maar dialecten werden gesproken. Zij hadden de voorrang gegeven aan de algemene cultuurtaal ten nadele van het dialect. Zij verkeerden in de waan dat de Vlamingen eveneens hun dialecten zouden opgeven ten voordele van het Frans. De opkomst van het beschaafde Neder­lands en de steeds nauwere banden met de cultuurtaal van het Noorden, was voor hen een onaangename verrassing. Na vele jaren tot de kaste van de machthebbers te hebben behoord, moesten zij plotseling vaststellen dat zij een minderheid waren, en dat de meerderheid een andere taal sprak.              

(…) De Waal is niet anti-Vlaams omdat hij de Vlamingen misprijst maar omdat hij ze vreest. Hij vreest het Vlaamse overwicht ; hij vreest de Vlaamse wrok voor vroeger begane onrechtvaardigheden ; hij vreest vooral de economische en culturele opbloei van de Vlaamse gewesten, en daarom gaan sommige Walen steun zoeken bij de Brusselaars.  (p.78) Het naast en door elkaar leven van twee cultuurgroepen verwekt altijd een gevoel van onveiligheid zelfs bij de leden van de cultuurgroep die het overwicht heeft. Dat naast elkaar leven heeft tot gevolg dat allé burgers in feite gedwongen worden een keuze te doen, en die keuze valt natuurlijk meestal uit ten voordele van de sterkste.

Als de immigrant die uit de zwakste groep komt voor de sterkste groep heeft geopteerd, voelt hij zich nog niet gerust. Om zich helemaal veilig te voelen wordt hij een speerpunt tegen de minderheid waar hijzelf eens bijhoorde.  

 

12 DE BRUSSELSE IMITATIEZUCHT
 
(p.80) Volgens Toynbee heeft het Herodianisme de volgende nadelen : 1.  Het is steriel en niet creatief. 2. Het proletariseert de grote massa en het beschaaft slechts een kleine minderheid.

'C'est ici qu'apparaissent les deux faiblesses inhérentes à l'Hérodianisme.

La première réside en ceci que 'l'Hérodianisme' par hypothè­se est mimétique, et non créateur, si bien que, même dans (p.81) sa réussite, il n'est pas apte qu'à augmenter la quantité de produits mécaniquement fabriqués par imitation d'une socié­té étrangère, au lieu de libérer dans les âmes humaines des énergies créatrices nouvelles. La seconde de ces faiblesses est que ce succès stérile en fait d'inspiration nouvelle et qui est ce que THérodianisme' a de mieux à offrir, ne peut apporter le salut — salut d'ailleurs purement terrestre — qu'à une faible minorité de cette communauté qui s'engage sur le chemin de l'Hérodianisme. La majorité, les autres, ne peuvent même pas espérer devenir les membres passifs de la civilisation imi­tée. Mussolini fit un jour cette remarque perçante qu'il y a des nations prolétaires aussi bien que des classes et des indi­vidus prolétaires.

L'Hérodien moins rare, qui échappe à la destruction, devient un mime de la civilisation vivante à laquelle il s'assimile. Ni l'un ni l'autre ne sont en mesure d'apporter la moindre con­tribution créatrice à une croissance ultérieure de cette civili­sation vivante' (Toynbee : La civilisation à l'épreuve, Galli­mard, blz. 215-216).(…) 

 

15 DE VRIJHEID VAN HET GEZINSHOOFD

 (p.107) De voornaamste oorzaak van die verdringing van de Vlaamse cultuur is niet zozeer te wijten aan het economisch overwicht, maar aan het klimaat van onvrijheid en aan de voortdurende drukking uitgeoefend door de meerderheid op de minderheid. Een aanzienlijk deel van de franstalige bevolking is bezield met een geest van cultuurimperialisme. Zij willen het Nederlands verdringen en zij beroepen zich daarvoor op de schitte-rende uitstralingen van de Franse cultuur.  

 

16 HET GEBREK AAN REALITEITSZIN

 

 (p.116) "Prof. Lagasse heeft zijn politieke carrière te danken aan het feit dat hij de privilèges van de franstaligen in Leuven nog wilde uitbreiden. De katholieke Universiteit van Leuven werd in 1835 wederopgericht. De lessen werden uitsluitend in het Frans gegeven hoewel de Vlamingen toen reeds in de meerderheid waren. Omstreeks 1925 begon de academische overheid in te zien dat de Universiteit niet eentalig Frans kon blijven : zij werd ontdubbeld, d.w.z. dat de Franse leergangen met heel hun nasleep gehandhaafd bleven. Het had er de schijn van dat de Vlamingen een overwinning hadden behaald. In werkelijkheid hadden de franstaligen een succes geboekt doordat die reusachtige, invloedrijke haard van verfransing in Vlaanderen bleef voortbestaan.(p.117) Welke kleine natie zou aanvaarden dat er in haar grootste Universiteit hoofdzakelijk les wordt gegeven in een vreemde taal, terwijl de eigen landstaal gedurende ongeveer honderd jaar door die vreemde taal werd verdrongen ? Bovendien weten wij door het Brusselse voorbeeld dat een haard van verfransing in de nabijheid van de taalgrens dubbel gevaarlijk is.Maar enfin, iedereen had zich bij die toestand neergelegd en waarschijnlijk zouden de franstaligen nog tientallen jaren van hun privilège hebben genoten aïs de heren Lagasse, de Visscher en consorten niet de aandacht hadden gevraagd voor hun zogenaamde taalproblemen.Toen nam de zaak een andere wending. De heer Lagasse en consorten misten voldoende realiteitszin om te beseffen dat ze in Leuven geprivilegieerden waren. Zij hadden precies het tegenovergestelde gevoel. Zij voelden er zich verdrukt omdat er in Leuven geen lagere scholen waren die hun kinderen in het Frans konden onderwijzen. En zij eisten Franse scholen voor hun kinderen met het voor hen bekende noodlottige gevolg. (p.118) Niet alleen de mensen van het F.D.F. weten met meer hoe het hoort. In de Brusselse zogenaamd neutrale krant 'Le Soir' verscheen op 11.8.68 op de eerste bladzijde het volgende artikeltje :

'Emblèmes flamands en Wallonie.

Chaque année, en cette période de vacances, des lecteurs nous expriment leurs indignation à la découverte de drapeaux au lion flamand en des lieux de villégiature situés dans le sud du pays. Il n'est pas rare que le dit emblème soit hissé au lieu et place des couleurs nationales. C'est une curieuse manière de respecter les règles de l'hospitalité que de s'adonner ainsi à un impérialisme provocant en région Wallonne.

Des scouts flamands qui cet été étaient venus s'installer à (p.119) Antheit et à Solières avaient emporté dans leurs bagages des drapeaux au lion flamand. Mais, comme nous le signale notre correspondant, on ne leurs laissa guère l'occasion de les déployer...

Des lecteurs nous signalent, à ce propos, que les fanatiques du flamingantisme ne limitent pas leurs initiatives au territoire national. On a vu leurs emblèmes en France, dans le Jura, dans les Alpes et même jusqu'à la Côte d'Azur. Là c'est du folklore tribal aussi inoffensif que ridicule.' Als we de houding van de redactie van 'Le Soir' gaan vergelijken met die van Prof. Lagasse dan zien we hoe blind het collectieve egoïsme is. Aan de ene kant zouden de Vlamingen een Franstalige Universiteit op hun grondgebied moeten dulden. Aan de andere kant is het hijsen van de Vlaamse Leeuw in een jeugdkamp een imperialistische provocatie. En zij vinden het ongehoord dat de Vlaamse Leeuw op de Azurenkust wappert. Geloven zij soms op de redactie van 'Le Soir' dat er in Frankrijk, Nederland, Engeland of Duitsland een spéciale politie waakt om te beletten dat de kampeerders hun eigen nationale vlaggen zou­den hijsen ? Beseffen zij dan niet dat ze door zich zo fanatiek aan te stellen, zij hun onverdraagzaamheid tegenover al wat Vlaams is, bloot geven ? Leven die Vlaamshaters soms niet in een ziekelijke irreële sfeer, die ze niet meer kunnen missen omdat ze aan dat vergif gewend zijn ?

  

17 EEN KENTERING

 (p.120) Beweren dat er slechts een kleine minderheid van Verachters' in Brussel aanwezig is, wordt tegengesproken door de uitsla-gen van de gemeenteraadsverkiezingen van 10 oktober 1970 waar 'Le Front des Francophones' grosso modo 30 % van het totale aantal stemmen behaalde in de 19 gemeenten van de Brusselse agglomeratie. Bij de vlaamshaters mogen we 'de verachters' van de P.V.V. niet vergeten, die beslist niet moeten onderdoen voor die van het F.D.F. Herinneren wij ons Ebeni, die de franstalige Vlamingen uit Brussel wil verjagen, aan Janssens van 'L'oasis Francophone', aan Mundeleer, Van Offelen, De Muyter en zoveel anderen.Er was bovendien nog een christelijk getinte lijst waarop de heer Persoons aïs nummer één prijkte, en die inmiddels 'met man en macht' naar het F.D.F. is overgelopen. Ook op de francofone socialistische lijsten komen er enkele fameuze Vlaamshaters voor. Rekening houdend met al die feiten kunnen we besluiten dat 'de verachters' in de 19 gemeenten van de Brusselse agglome­ratie de meerderheid hebben behaald. De verachting van het Vlaams in Brussel dagtekent niet van gisteren, maar het is nooit zo virulent tôt uiting gekomen als op 10 oktober 1970. 

(p.126) 'Ah, oui madame, avec le français on arrive partout et avec le flamand nulle part, n'est ce pas ?'

'Le français est une si belle langue tandis que le flamand n'est qu'un vilain patois."

'Si l'on veut réussir dans la vie il faut connaître le français.'

'Tous les gens bien parlent français.'

Dergelijke gemeenplaatsen zijn voor de Brusselaars de heipalen waarop hun levensbeeld rust.  

 

18 BESLUIT

(p.128) Jaarlijks komen duizenden Vlamingen zich in de Brusselse agglomeratie vestigen. Naar een vreemd land emigreren of zich gaan vestigen in een gewest waar een andere taal wordt gesproken is altijd een beroerde onderneming. De emigrant voelt zich onveilig omdat hij geconfronteerd wordt met andere opvattingen en begrippen en met een andere taal. Hij is vastbesloten in harmonie met zijn nieuwe gemeenschap te leven en elke conflictsituatie zoveel mogelijk te vermijden. Om het knagende gevoel van onveiligheid te verdoven wil hij zijn zoals de anderen en daarom past hij zich aan de taal, de zeden en de algemene opvattingen aan. Een Vlaming die zich in Brussel gaat vestigen is veel kwets-baarder dan een vreemdeling. Hij heeft dadelijk begrepen dat het Vlaams in zijn nieuw leefmilieu onverbiddelijk veracht en zelfs verfoeid wordt. Hij vreest de eenzaamheid van de buffel die zijn kudde heeft verlaten. Meer nog vreest hij de spot en de ironie die overal opduikt aïs er een woord Vlaams wordt gesproken. En uit angst is hij bereid afstand te doen van zijn taal en zijn culturele verworvenheden.Zijn vroegere opvattingen wil hij radicaal herzien zodat ze overeen zouden stemmen met die van zijn nieuw milieu. Conformist zijn in Brussel betekent anti-Vlaams zijn. En met de ijver van de neofiet wordt hij een vlaamshater, om een veilige plaats te mogen innemen te midden van de kudde. Hij mag zich niet aan de kant van de zwaksten scharen. Hij gaat dus meehuilen met de meerderheid en het liefst zal hij het hardst huilen, om de aandacht van zijn eigen smet af te (p.129) leiden. Daarom vinden wij de hevigste vlaamshaters bij de vermuilezelde Vlamingen. Uit schaamte voor zijn afkomst gaat hij hartstochtelijk al wat Frans is aanbidden en nabootsen. In zijn ijver om zo vlug mogelijk voor een echte franstalige te kunnen doorgaan, besteedt hij niet de nodige tijd aan de studie van het Frans en neemt hij de gebrekkige taal die zijn omgeving spreekt over, met het gevolg dat hij dat typische vermuilezelde Brussels gaat spreken. Een gevoel van onveiligheid werd omgezet in verachting en haat. Hij beseft niet dat hij, onder de druk van een algemene terreur, zijn taal is gaan verloochenen en zijn volksgenoten is gaan misprijzen. Hij weet dat de meeste Vlamingen onge-vaarlijke lamme goedzakken zijn, die hun taal en hun cultuur niet verdedigen. Hij daarentegen wil aan de kant van de sterksten staan.Het verfransingsproces dat wij hierboven hebben beschreven, heeft zich tienduizenden malen herhaald. Bovendien begeert de Brusselaar in het diepste van zijn gemoed dat de andere Vlamingen aïs primairen worden aangezien omdat een hogere trap in de geluksvergelijking hem een gevoel van zelfvoldaanheid verschaft.Moeten wij dan besluiten dat de mentaliteit van de Brusse-laars ten overstaan van de Vlamingen nooit zal veranderen ? Gurvitch is van oordeel dat collectieve attitudes meer continu schijnen dan zij in werkelijkheid zijn. Zij kunnen vaak een zeer grote weerstand bieden zoals b.v. uit de anti-Vlaamse verkiezingsuitslagen in Brussel blijkt, maar zij kunnen in hun tegendeel veranderen onder invloed van de hele maatschappij. Ook Le Bon (La psychlogie des foules) is van mening dat opvattingen van een menigte plots kunnen veranderen en in hun tegendeel verkeren.Gurvitch acht het mogelijk dat een wijziging in de posities van de klassen de attitude van de maatschappij verandert. Welnu, er is zich in Brussel een solide Nederlandstalige élite aan het vormen.Wij hebben eerder vastgesteld dat de Spaanse cultuur inder-tijd door de Franse werd verdrongen omdat deze laatste op een franstalige élite kon steunen. Aïs het Nederlands zich in (p.130) Brussel wil handhaven, moet er en flinke Nederlandstalige elite tot stand komen. (p.131) Die vaststellingen stellen ons in staat te besluiten :

1.  Met Simonet ben ik het eens dat de verfranste Vlamingen onherroepelijk verfranst zullen blijven.2

2 De door een Vlaamse elite gevormde kern zal zich uit-breiden, omdat er steeds meer gecultiveerde Vlamingen weerstand zullen bieden aan de verfransing.

3.  Er ontstaat een zekere tweetaligheid, voornamelijk in de leidende kringen, die de  Nederlandse  cultuur  gunstig gezind is.

4.  De Vlaamse jeugd zal gedeeltelijk de zwakheid van haar ouders goedmaken door zonder complexen steeds in Brussel Nederlands te spreken.

5. Die gunstige evolutie zal langzamer verlopen dan de meeste Vlamingen het verwachten. 

 

Wilmars Dirk

Standaard Uitg., 1971

 

 

Raadpleeg ook:

http://justitia-veritas.skynetblogs.be (+250 blogs )

 

23:07 Gepost door Justitia & Veritas in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.